Algemene informatie Togo

Geografie

Togo ligt aan de Golf van Guinee tussen de buurlanden Burkina Faso in het noorden, Benin in het oosten en Ghana in het westen. Het land wordt voornamelijk ingenomen door het Togogebergte (op zijn hoogst 1098 m) dat naar het zuiden overgaat in een kristallijn plateau van gemiddeld 400 m hoogte. De belangrijkste rivier is de Mono. Togo is een lang land met een oppervlakte van 56 785 km2. Midden in het land liggen de belangrijkste nationale parken Foret de Fazao en Parc National de la Keran.

Klimaat

Togo heeft een tropisch regenrijk klimaat met in het noorden een regentijd die loopt van maart tot oktober. In het zuiden zijn er twee regentijden. De eerste loopt van maart tot juli en de tweede van september tot november. De neerslag komt nergens onder de 1000 mm per jaar. De temperatuur schommelt tussen 22 en 34 graden Celsius. Van juli tot september waait aan de kust de zuidwestelijke moessonwind. In de overige maanden heerst een duidelijke land-zeewindcirculatie. In december-januari waait in het noorden de harmattan. In de overige maanden is de wind meest zuidwestelijk. De warmste periode begint zo midden februari en duurt tot midden april.

Flora en Fauna

Het land bestaat voornamelijk uit savannen die op veel plaatsen overgaan in licht bos. In het noorden komen steppen voor. Langs de rivieren vindt u galerijwouden en in het gebergte regenwoud, deels loofverliezend.

De dierenwereld is die van het West-Afrikaanse regenwoud en de aangrenzende savannetypen en omvat onder andere talrijke verschillende soorten apen, hyena, leeuw, panter, olifant, nijlpaard, buffel en veel antilopen, waaronder de zeldzame bongo en talrijke duikers. Ook het zeldzame reuzenzwijn komt in Togo voor. De vogelwereld is bijzonder rijk, er lopen grote aantallen ooievaars, kraanvogels en maraboes rond. Twee reservaten op de grens van de bos- en savannezone vormen de aanzet van een natuurbeschermingspolitiek.

Geschiedenis

Het huidige Togo heeft een heel lange geschiedenis. De bevolkingsgroep de Ewe vestigde zich in de 18e eeuw in dit gebied. Na de Eerste Wereldoorlog werd Togoland een mandaat van de Volkenbond. Westelijk Togoland werd aan Groot-Brittannië toegewezen en het oostelijk deel kreeg Franse bestuur.

In 1946 werden beide mandaatgebieden opgenomen in de door Groot-Brittannië en Frankrijk beheerde trustschapsgebieden van de Verenigde Naties. Frans Togoland werd in 1956 een republiek met beperkte autonomie binnen de Franse Unie en Brits Togoland sloot zich aan bij Ghana.

In 1960 werd Togo een onafhankelijke staat. In januari 1963 wierpen militairen de regering omver en vermoordden de president. Er waren tussen 1963 en 1966 machtwisselingen. In januari 1967 nam de chef-staf Etienne Eyadema de macht. Hij werd president en verbood alle politieke partijen. In augustus 1993 werden nieuwe presidentsverkiezingen gehouden. Eyadema won door fraude en door het ontbreken van een serieuze tegenkandidaat. Hij bleef aan het bewind tot zijn overlijden op 10 februari 2005. Zijn zoon Faure Gnassingbé bleek door hem te zijn aangewezen als opvolger. Dat wekte verzet onder de bevolking en onder druk van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid stemde Faure Gnassingbé in met presidentsverkiezingen. Die vonden plaats in april 2005 maar werden algemeen als oneerlijk aangemerkt. Gnassingbé zou de meerderheid hebben behaald door intimidatie en verkiezingsfraude. Frankrijk erkende het nieuwe bewind en er braken in het hele land rellen uit. Het leger onderdrukte de opstand met harde hand. Tienduizenden vooral jonge Togolezen vluchtten naar de buurlanden Ghana en Benin. Sindsdien is het weer rustig. Onder de bevolking heeft woede plaats gemaakt voor berusting en gelatenheid.

Staat

Togo is een republiek. In 1991 werd de ban op de politieke partijen opgeheven. Tot dan toe was de enige toegestane partij de Rassemblement du Peuple Togolaise (RPT). De belangrijkste oppositiepartijen zijn het Comite d’action pour le renouveau (CAR) en de Union togolaise pour la democratie (UTD).
Het land is administratief in vijf regio’s verdeeld. De hoofden van de regionale besturen worden door de president benoemd. De traditionele stamhoofden maken deel uit van het bestuur.

Economie

De economie is in hoge mate afhankelijk van de uitvoer van slechts enkele grondstoffen, waarvan de prijzen bepaald worden op de wereldmarkt. Verreweg het grootste deel van de bevolking vindt in de landbouw zijn bestaan. Het aandeel van deze sector aan het Bruto Nationaal Product (BNP) daalt voortdurend en bedroeg in 1995 32%. Het grootste aandeel aan het BNP is de tertiaire sector (handel, transport en diensten); het bedraagt 45%. De industrie levert een bijdrage van 23% aan het BNP en dat stijgt nog steeds.

Slechts 15% van de 42% beschikbare landbouwgrond wordt daadwerkelijk voor dat doel gebruikt. Belangrijkste voedingsgewassen zijn: cassave, yam, maïs, gierst en rijst. Als handelsgewassen worden cacao, koffie, palmpitten, aardnoten en katoen verbouwd.

De handelsbalans van Togo is nog altijd negatief. Het voornaamste uitvoerproduct is fosfaat; dit levert de helft van de exportverdiensten op. De winning van marmer ten noorden van Lomé en kalksteen bij Tabligbo is van enorme betekenis. De industrie van het land omvat de productie van voedings- en genotsmiddelen, textiel, chemische producten en bouwmaterialen.

De belangrijkste bron van inkomsten is toerisme.

Bevolking en Cultuur

Togo heeft een totale bevolking van ruim vier miljoen mensen. Er zijn ongeveer 40 etnische groepen te onderscheiden in Togo; de grootste zijn de Ewe (32%) en de Mina (6%) in het zuiden, de Kabre (22%), de Kotokoli (6%) en de Moba (5%) in het noorden en midden. De Watchi behoren tot de Ewe.
In Togo is er een duidelijke scheiding in de plaatsen waar christenen en moslims wonen. De meeste christenen zijn Ewes en wonen in het zuiden en in het noorden wonen de moslims. Dit zijn de grootste religieuze groepen in het land, maar daarnaast zijn er de animisten. De meeste Ewes hangen naast hun christelijk geloof ook het animisme aan.

Taal

Frans is de voertaal van Togo, maar Ewe, Mina in het zuiden van het land, Dagomba en Kabre worden ook gesproken. 1% van de bevolking is van Europese of Syrisch-Libanese komaf. Dat deel van de bevolking spreekt meestal Engels. Er zijn 40 verschillende etnische groepen in het land en ze spreken allemaal een eigen taal. Ewe en Kabre worden ook op school onderwezen.